Er was eens een gevangene, die al jaren leefde tussen vier grauwe muren. Dat ze niet meer waren dan zijn overlevingssysteem, besefte hij niet. Op de vier muren, die hem omringden, stonden vier woorden. Hij had ze al zo vaak gezien, en verbaasde zich er niet over. Hij vroeg zich ook niet af wat ze werkelijk betekenden voor zijn leven. Op de eerste wand stond het woord ‘duisternis’. Op de tweede muur stond het woord ‘dogma’. Op de derde muur stond ‘leugen’ geschreven. Op de vierde muur stond het woord ‘macht’.

Soms sprak hij erover met de anderen, die ook tussen zulke muren gevangen zaten, maar nooit begrepen zij de woorden. Allen zeiden dat die woorden groot en heilig waren. Even groot en heilig als de wanden zelf. Als de muren de mens niet langer beschutten, zou het leven immers ondraaglijk worden. Er zou niets meer zijn. Aan het eind van elke dag troostten zij zich daarom met de gedachte dat zij door die vier muren beveiligd waren.

Toch groeiden de vragen in het hart van de gevangene. Hij vroeg zich af wat daarbuiten zou zijn. Waarom leefden ze tussen vier muren? Wie had deze muren bedacht?
Sommige medegevangenen raadden hem aan niet zoveel vragen te stellen. “Je helpt er niemand mee”, vonden ze en keerden weer terug naar hun hoekje tussen de muren. Anderen vonden hem een aansteller. “Je maakt je zorgen om niks, richt je gewoon op je dagelijks werk”, adviseerden zij hem, terwijl ze zich weer op hun werk tussen de muren stortten. Weer anderen namen het hem kwalijk of werden boos als hij vroeg naar de betekenis van de woorden. “Je moet niet alles in twijfel trekken, deze muren staan al generaties lang”, snauwden ze hem toe. “Schaam je.” Er waren zelfs gevangenen die hem beschuldigden van wispelturigheid en onvolwassen gedrag. Een van de gevangen bood hem hulp aan. “Ik zal je leren omgaan met de muren, zodat je ze kunt accepteren. Daar ben ik zelfs voor opgeleid.”
Het werd er niet beter op voor de gevangene. Hij twijfelde aan zichzelf én aan de muren. Dat zag er hopeloos uit.

Tot op een zekere dag zich onverwacht een deur opende in de muur van duisternis. Een lichtstraal verlichtte het verblijf, toen er een vrouw binnen trad. Ze keek hem vriendelijk aan. “Zie je niet de gevangenis om je heen?”, vroeg de vrouw. Zij wees naar de vier wanden. “De duisternis belet je om de schoonheid van het leven te zien. Het dogma verbiedt je zelf na te denken. De leugen dwingt je de dingen anders te zien en de macht van anderen verbiedt je om jezelf te zijn. Zolang je hier blijft, zal je niet werkelijk, authentiek mens kunnen zijn.”

“Hoe kan ik hier uit komen?”, vroeg de gevangene, die een hunkering naar het onbekende buiten in zich gevoelde. “Hoe kan ik de muren verbreken? En beschermen die muren mij ook niet? Wij vinden dat het hier veilig is.”

De vrouw keek hem aan en zei met zachte stem: “De muur van de duisternis moet met  kennis verbroken worden. De muur van dogma met onbevooroordeeld denken. De leugen met de waarheid. En de macht van anderen met de fierheid en moed om jezelf te durven zijn. Als je die wapens gebruikt zal je vrij worden.”

In de gevangene ontstond een diep verlangen om uit de cel te ontsnappen. “Met mij meegaan kun je niet”, sprak de vrouw. “Je zult zelf de muren van je gevangenis moeten verbreken. Je zult zelf moeten werken en worstelen, om te komen in het land van het licht en innerlijke vrijheid. Jij hebt een keus te maken.” En even plotseling als ze was gekomen, ging ze weer.

De gevangene liet zich op de grond vallen van moedeloosheid en rouw over een leven tussen vier muren. Hoe kon hij die muren verbreken? Alle andere gevangenen zouden hem verachten, uitlachen of misschien zelfs haten.
Op de kille grond voelde hij iets. Het waren de wapens waar de vrouw over sprak en die zij had laten vallen: kennis, onbevooroordeeld denken, waarheid en fierheid en moed. Trillend nam hij ze ter hand en begon aan de weg naar buiten.

De andere gevangen reageerden inderdaad vol onbegrip, ongeloof en boosheid. “Een volmaakt leven bestaat niet”, zeiden sommigen. “Je bent op hol geslagen”, reageerde een groep vanuit de hoek. “Stoor ons niet met dat felle licht”, riepen er een paar, toen hij zich een weg naar buiten baande. “Je gaat je ondergang tegemoet”, mompelde een ander. “Altijd al gedacht dat je niet oprecht was”, siste een van hen. De woorden striemden de gevangene, zeker als ze uit de mond kwamen van degenen met wie hij een goede band had in de gevangenis. Maar de kennis, het onbevooroordeeld denken, de waarheid, de fierheid en moed gaven hem kracht. Na lang en hard werken, nat van zweet en tranen, klauterde hij over de brokstukken van zijn bestaan naar buiten.

Eindelijk was hij vrij.

“Jij hebt een keus te maken”